glas

Om half zeven stond het kind naast mijn bed. Hij was aangekleed, maar zo te zien nog niet erg wakker. Hij had blauwe laarsjes aan, een tuinbroek die wat knopen miste en over zijn schouder hing een plastic schep, ook blauw, toen hij struikelend de kamer binnenkwam.

“Goedemorgen kleine,” zei ik.

“Schorpioenen zijn niet gevaarlijk,” zei hij.

Wat ik me herinner is dat de buurman, de opa van het kind, langskwam om te kijken wat ik aan het doen was en waarom ik daar zo bij schreeuwde.

Hij zette de schep in een groef van het parket op zo’n manier dat hij erop kon leunen, waardoor onze ogen – mijn hoofd nog altijd plat op het kussen – op gelijke hoogte waren. Die houding heeft hij vermoedelijk van zijn opa afgekeken. Zijn vader zie ik nog niet met een schep in de weer en zeker niet op een parketvloer – daarvoor is hij veel te chique.

Het kind ging op vakantie – ik zou op het huis passen – en sinds een paar uur wist hij dit: dat schorpioenen niet gevaarlijk zijn. Hij had het gedroomd en voor vertrek wilde hij het mij gezegd hebben.

“Maar ze worden niet graag opgesloten. Als je dat doet, kunnen ze steken.”

Dat ik in dromen meer vertrouwen heb dan in het echte leven wist hij niet, of misschien juist wel en misschien kwam hij het me daarom vertellen.

lees verder

tibooke

Gelukkig hadden ze vorig jaar leren schrijven, dacht Tibooke toen hij er het blaadje met zijn slechte punten voor godsdienst uitscheurde en schreef: Ik ben weg, naar mijn echte vader. Tibo.

Roel had Tibooke twee weken geleden gezegd dat hij geadopteerd was en dat hij zijn vader niet kende. Tibooke had daar sindsdien ook aan gedacht. Was zijn vader de echte wel? Hij zat met papa achter het avondeten op een stuk fazant te kauwen. Door de tanden van zijn vork keek hij naar papa, naar diens grijze stoppelbaardje, zijn dubbele kin en de bordeaux trui die hij altijd droeg en het leesbrilletje dat aan het kettinkje hing, omdat hij altijd met papieren in de weer was en niks meer zag. Hij stelde zich dan voor dat in zijn plaats nonkel Hervé zat, met zijn fris geschoren gezicht, dat altijd zo zacht was wanneer hij het kuste en niet hard met stekels, zoals bij papa, en in zijn trainingskostuum, want nonkel Hervé droeg altijd een trainingskostuum.

In het begin van het schooljaar had Tibooke zijn eerste tennisles gekregen van nonkel Hervé. Het was met zo een machine die ballen naar hem toe schoot, en hij had ze toen bijna allemaal gemist, maar nonkel Hervé had hem gezegd dat hij het heel goed deed en een kampioen zou worden. Hij had er de arm voor, zei hij. Tibooke had toen heel lang in het bed naar zijn arm gekeken, tot zijn papa om negen uur zijn licht kwam uitdoen. Papa was nooit zo vriendelijk tegen hem. Die zat altijd te zagen over hoe slecht zijn punten waren en dat hij geen ezelsoren mocht maken in de boeken van de bibliotheek. Op de vensterbank van Tibooke stonden de vijf matchboxjes die hij van nonkel Hervé had gekregen. Papa zei dat hij dom werd van het spelen met de autootjes.

“Wie zijn eigenlijk mijn echte ouders, papa?”

“Jongen, ik ben naar het nieuws aan het kijken.”

“Is het nonkel Hervé?”

“Nonkel Hervé? Waar haalt gij dat vandaan?”

“Die geeft me altijd autootjes wanneer hij op bezoek komt.”

“En wanneer mag dat dan wel zijn?”

“Elke woensdagnamiddag, wanneer jij op kantoor bent.”

“Die is zeker jouw vader niet, anders had ik het wel geweten.”

lees verder

de dag dat

Ik hakte een kreeft in twee en schraapte de ingewanden er met een lepel uit. Eigenlijk hakte Aleck, mijn geliefde, deze kreeft in twee en was hij het die de ingewanden eruit schraapte. En terwijl hij dit deed, keek ik televisie op de bank. Ik zou nooit een kreeft kopen en in stukken hakken, daar ben ik veel te lui voor.

Aleck was vijf dagen op bezoek bij mijn residentie in Sluis. Het plan was om ieder aan ons eigen bureau te werken. Maar dat hoefde maandag pas.

Op televisie werd er ook gekookt, vegetarische chap choy. Om de zo veel tijd keek ik op mijn telefoon op zoek naar een startsignaal, iets om mee te beginnen.

We aten de kreeft, gingen met de bus naar Brugge, zagen er het bloed van Jezus en op dinsdag 14 november begonnen we dan eindelijk.

Om het stuk te schrijven. Het grote verhaal waarvoor ik immers hier was en waar mensen op wachtten, mensen die ik niet nog meer teleur kon stellen. Tot dusver had ik bedacht iets te schrijven over:

– de dorpsbewoners in Sluis die praten alsof de zee in hun keel zit

– de dvd’s die ik in het nachtkastje had gevonden: ‘Hairspray’, ‘The Queen’, ‘Girl with a Pearl Earring’

– De Aldi en de Emté (en dat de kassajuffrouw kwaad werd toen ik mijn mandarijn niet had gewogen)

– Café Jopie

– de dag dat ik mijn vriendin verloor, (dit had ik eerder al bedacht)

Verder dan dat kwam ik niet.

lees verder

van suiker

Het eerste wat me opvalt, zijn de bonbons. Kleine, perfect gevormde kunstwerkjes, het ene mooier dan het andere.

‘Dit is dus hoe de hemel eruitziet,’ zegt Veronika. Ze grist een hartvormig chocolaatje met pistachegarnering van een van de zilveren schalen en stopt het in haar mond. ‘Wat kijk je nou?’ Ze fronst en bedekt haar mond met haar slanke, lange vingers. ‘Eentje moet kunnen.’

Ik blijf naar haar kijken terwijl ze gaat zitten en haar stoel iets dichter tegen die van Merijn aanschuift. Naar haar lange, slanke nek, haar strakke bovenarmen en haar duidelijk zichtbare schouderbladen.

Ik staar niet naar haar mond, maar naar haar fonkelende diamantenring, slechts centimeters van mijn gezicht verwijderd. Veronika slikt door en drukt haar gestrekte wijsvinger tegen mijn borst.

‘Niets tegen Mama zeggen, Floor. Ik heb geen zin in gedoe, niet vandaag.’ Haar vinger prikt steeds harder tegen mijn borstbeen. ‘En van de taart blijf je af.’ Ze wijst naar het witte gevaarte dat hoog boven de rest van het dessertbuffet uittorent.

lees verder

onder de esdoorn

Ik weet niet waar de woorden vandaan komen. Ik ken het gestorven meisje niet. Ze bestaat niet in mijn herinneringen.

Onder de esdoorn ligt een lichaam. Zijn bladeren vallen om mij heen als sporen van herinnering aan de vlucht van het leven. Langzaam druk ik mijn zolen in de natte bosgrond. Bladeren blijven hangen aan mijn blauwe rok en de mist likt mijn hielen en omarmt mij alsof ik nooit weg ben geweest.

Ik ben de enige hier. Haar blonde haar spreidt zich uit over de grond, armen gevouwen over haar borstkas, haar handen grijpen krampachtig naar iets. Ik buig mij om te zien wat het is.

identiteit-coming-of-age-onschuldig-volwassen-opgroeien

“Ze omklemt haar hart.”

De stem doet de lucht ijzig worden. Een meisje staat daar, met kort, bruin haar achter haar oren, met kille, blauwe ogen. Ze bekijkt me grimmig, haar lippen tussen haar tanden geklemd, harder en harder, totdat er een paar druppels bloed op de bosgrond vallen. Haar schoenen verpletteren de druppels in een ogenblik. Ik probeer naar haar te kijken, maar kan het niet.

“Wie ben je?” Mijn stem trilt. De vraag blijft hangen in de leegte.

De bladeren om ons heen blijven met een zachte ritseling op de grond vallen. De mist trekt op en haalt uit met zijn koude klauwen. Er loopt een huivering over mijn rug. Is dit angst of verdriet? De emoties lijken sinds kort op elkaar – een grote wervelstorm van pijn, spijt en beklemming, waar niets meer te onderscheiden is. De zonnestralen strelen haar haar, het enige stukje dat de mist niet lijkt te willen aanraken. Ik zou de plek als adembenemend beschrijven onder andere omstandigheden. Het meisje tegenover me zet een stap in mijn richting.

lees verder