glas

Om half zeven stond het kind naast mijn bed. Hij was aangekleed, maar zo te zien nog niet erg wakker. Hij had blauwe laarsjes aan, een tuinbroek die wat knopen miste en over zijn schouder hing een plastic schep, ook blauw, toen hij struikelend de kamer binnenkwam.

“Goedemorgen kleine,” zei ik.

“Schorpioenen zijn niet gevaarlijk,” zei hij.

Wat ik me herinner is dat de buurman, de opa van het kind, langskwam om te kijken wat ik aan het doen was en waarom ik daar zo bij schreeuwde.

Hij zette de schep in een groef van het parket op zo’n manier dat hij erop kon leunen, waardoor onze ogen – mijn hoofd nog altijd plat op het kussen – op gelijke hoogte waren. Die houding heeft hij vermoedelijk van zijn opa afgekeken. Zijn vader zie ik nog niet met een schep in de weer en zeker niet op een parketvloer – daarvoor is hij veel te chique.

Het kind ging op vakantie – ik zou op het huis passen – en sinds een paar uur wist hij dit: dat schorpioenen niet gevaarlijk zijn. Hij had het gedroomd en voor vertrek wilde hij het mij gezegd hebben.

“Maar ze worden niet graag opgesloten. Als je dat doet, kunnen ze steken.”

Dat ik in dromen meer vertrouwen heb dan in het echte leven wist hij niet, of misschien juist wel en misschien kwam hij het me daarom vertellen.

lees verder