tibooke

Gelukkig hadden ze vorig jaar leren schrijven, dacht Tibooke toen hij er het blaadje met zijn slechte punten voor godsdienst uitscheurde en schreef: Ik ben weg, naar mijn echte vader. Tibo.

Roel had Tibooke twee weken geleden gezegd dat hij geadopteerd was en dat hij zijn vader niet kende. Tibooke had daar sindsdien ook aan gedacht. Was zijn vader de echte wel? Hij zat met papa achter het avondeten op een stuk fazant te kauwen. Door de tanden van zijn vork keek hij naar papa, naar diens grijze stoppelbaardje, zijn dubbele kin en de bordeaux trui die hij altijd droeg en het leesbrilletje dat aan het kettinkje hing, omdat hij altijd met papieren in de weer was en niks meer zag. Hij stelde zich dan voor dat in zijn plaats nonkel Hervé zat, met zijn fris geschoren gezicht, dat altijd zo zacht was wanneer hij het kuste en niet hard met stekels, zoals bij papa, en in zijn trainingskostuum, want nonkel Hervé droeg altijd een trainingskostuum.

In het begin van het schooljaar had Tibooke zijn eerste tennisles gekregen van nonkel Hervé. Het was met zo een machine die ballen naar hem toe schoot, en hij had ze toen bijna allemaal gemist, maar nonkel Hervé had hem gezegd dat hij het heel goed deed en een kampioen zou worden. Hij had er de arm voor, zei hij. Tibooke had toen heel lang in het bed naar zijn arm gekeken, tot zijn papa om negen uur zijn licht kwam uitdoen. Papa was nooit zo vriendelijk tegen hem. Die zat altijd te zagen over hoe slecht zijn punten waren en dat hij geen ezelsoren mocht maken in de boeken van de bibliotheek. Op de vensterbank van Tibooke stonden de vijf matchboxjes die hij van nonkel Hervé had gekregen. Papa zei dat hij dom werd van het spelen met de autootjes.

“Wie zijn eigenlijk mijn echte ouders, papa?”

“Jongen, ik ben naar het nieuws aan het kijken.”

“Is het nonkel Hervé?”

“Nonkel Hervé? Waar haalt gij dat vandaan?”

“Die geeft me altijd autootjes wanneer hij op bezoek komt.”

“En wanneer mag dat dan wel zijn?”

“Elke woensdagnamiddag, wanneer jij op kantoor bent.”

“Die is zeker jouw vader niet, anders had ik het wel geweten.”

Tibooke speelde met zijn lievelingsautootje, een Maserati, dat hij had gekregen van nonkel Hervé. Hij rolde het vooruit en achteruit op de antieke tafel waar hij eigenlijk niet op mocht spelen en die elke dinsdag door kuisvrouw Jeanine werd opgepoetst. Hij reed ermee over de rand en beeldde zich in dat het zijn ouders waren die naar de tennis reden en daarna neerstortten van een rots, zoals koning Albert. Dat hadden ze op school geleerd.

“Hou daar mee op, Thibault, je beschadigt de tafel. Dat is een erfstuk van uw grootmoeder.”

“Niemand in onze familie heeft een kuiltje in zijn wangen.”

“Nonkel Hervé heeft ook geen kuiltje in zijn wangen.”

“Van mama’s kant hebben ze allemaal dikke benen en al je broers hebben een scheve neus.”

“Hou toch eens op.” Papa begon zenuwachtig te zappen.

“Papa, koop jij me een psp voor Sinterklaas?”

“Neen, jij gelooft niet meer in Sinterklaas.”

“Hoe kan iemand als jij mijn vader zijn? Jan Blanckaart heeft niet eens een vader en hij krijgt een iPhone voor Sinterklaas, hoewel zijn moeder weet dat hij niet in Sinterklaas gelooft, want ze gaan er samen om naar de winkel. Nonkel Hervé zou mij niks weigeren, daar ben ik zeker van.”

“Laat mij eens op mijn gemak tv kijken.”

Tibooke ging naar papa’s kabinet en haalde zijn schoolagenda uit de rechterlade van diens werktafel. Papa was van plan om er morgen mee naar meester Martens te gaan en had het afgenomen van Tibooke en verborgen in een van zijn schuiven. Tibooke kende de inhoud van papa’s laden van buiten en vond snel wat hij nodig had. Gelukkig hadden ze vorig jaar leren schrijven, dacht Tibooke toen hij er het blaadje met zijn slechte punten voor godsdienst uitscheurde en schreef: Ik ben weg, naar mijn echte vader. Tibo.

Daarna sloop hij de gang in en opende de schuifdeuren van de kleerkast. Tibooke trok voorzichtig zijn jasje van tussen de lange regenjassen, blazers en winterjassen van zijn moeder en vader. Soms verstopte hij zich in die kast wanneer hij met Roel tikkertje speelde. Maar Roel mocht niet meer op bezoek komen, want hij had zijn achterwerk afgeveegd met de handdoek in het gastentoilet.

Het huis van nonkel Hervé lag aan de rand van het bos, in de Patrijzenlaan.

Eigenlijk was Tibooke bang om door het bos te lopen. Papa sprak telkens over het homobos wanneer ze er voorbijreden. Dat ze daar toch iets aan moesten doen, aan al die mannen die daar kwamen wandelen sinds ze de autostrade hadden aangelegd. Tibooke had geen idee wat die homo’s allemaal uitspookten. Zouden ze bomen omkappen? Dat zou hij erg vinden, want met Roel had hij al vele woensdagmiddagen in het bos gespeeld. Met hun spade hadden ze een groot gat gegraven met een tunnel, waar Tibooke een keer in vast was blijven steken. Roel had hem toen laten zitten tot Tibooke heel erg begon te wenen.

Er waren ook loopgraven uit de Eerste Wereldoorlog in het bos. Met de scouts gingen ze daar soms wandelen. Dan maakten ze een kampvuur en bakten ze brood met deeg dat ze rond een tak moesten kneden. De laatste keer dat Tibooke dat moest doen, was heel het stokje verbrand en het brood ook. Niemand wou het hebben, maar Tibooke moest het zijne wel opeten, anders zouden ze hem weer eens in elkaar slaan.

Hij liep over het natte gras van de achtertuin en stopte aan het gat in de haag, dat hij er met Roel in de zomer had uitgezaagd.

Tibooke veegde de bladeren opzij. Hij had een kleine zaklamp om zichzelf bij te lichten. Door het bos was het maar tien minuten stappen naar het huis van nonkel Hervé. In de zomer ging hij altijd door het bos naar de tennisles. Tibooke had een slaapzak mee, voor het geval nonkel Hervé geen logeerkamer had. Hopelijk vond nonkel Hervé het niet erg dat hij niet meer in Sinterklaas geloofde, want anders kon hij naar die psp fluiten.

Bij elke stap die Tibooke zette, voelde hij de naalden onder zijn schoenen kraken. Hij werd opgeschrikt door een vogel die een boomkruin invloog en neerdaalde op een tak. Daarna door een eekhoorntje dat van de ene boom op de andere sprong. Hij had dat natuurlijk niet gezien, want die beesten zijn heel snel en zijn zaklamp scheen daar niet ver genoeg voor.

Tibooke probeerde in de verte iets te onderscheiden. Het huis van nonkel Hervé was nergens te bekennen. Was hij nu maar de goede weg op aan het gaan. Hij raapte al zijn goede moed bij elkaar en liep verder, tot hij langs alle kanten was omringd door bomen en het schijnsel van de lamp boven de achterdeur niet meer kon onderscheiden.

Wat als nonkel Hervé niet thuis was? Als hij bijvoorbeeld op de Magnolia tennislessen aan het geven was? Aan tafel had papa onlangs gezegd dat nonkel Hervé daar weeral aan de toog hing. Dan zou tante Tine opendoen. Die had hij niet graag. Die zou hem meteen naar bed sturen, zonder een tas melk zelfs, of zou zeggen dat hij naar huis moest terugkeren. Hij had haar al een paar keer gezien toen ze met mama en papa bij nonkel Hervé op bezoek waren, maar dat waren geen leuke bezoeken. Papa stond dan met nonkel Hervé te tennissen op diens oude baan uit brique pilée terwijl Tibooke de ballen moest rapen die over de hekken vlogen, terwijl mama en tante Tine onder een parasol in de tuin op de witte tuinstoelen koffie aan het drinken waren. Tibooke kreeg zelfs geen speculoosje en telkens hij hen naderde, viel hun gesprek stil. Neen, als tante Tine opendeed, dan zat hij met de gebakken peren.

Het licht van zijn zaklamp werd zwakker en zwakker en ging even later uit. Tibooke zag geen steek voor zijn ogen. Hij bleef stilstaan, misschien werden zijn ogen wel gewoon aan het donker. Hij had dat eens uitgeprobeerd in zijn slaapkamer. Als hij het lang genoeg volhield, kon hij na een tijdje zijn witte kussensloop onderscheiden. Op de tast zocht hij naar een boomstam en ging ertegen aanleunen. Hij wachtte een eeuwigheid, maar nog steeds zag hij geen steek voor zijn ogen. Zoals die keer dat ze met Roel verstoppertje speelden en hij zich in de oude vuilbak in de kelder had verstopt en Roel er toen om hem te pesten op was gaan zitten. Toen was het ook stikdonker en kon hij nergens naartoe. Tibooke rilde.

Wat als nonkel Hervé niet van hem wilde weten? Hoeveel jaar waren er ondertussen niet voorbij? Tibooke was vorige maand zeven jaar geworden en nonkel Hervé had hem niet eens gefeliciteerd. Hij had hem wel de volgende week een Porsche 928 cadeau gedaan waarvan de deuren opengingen, dus echt kwaad kon hij op nonkel Hervé niet zijn. Maar toch. Als nonkel Hervé zijn vader was, had die er dan niet van in het begin bij moeten zijn, zoals papa? En niet ineens vanuit het niets verschijnen, tennisles beginnen geven en autootjes? Of dacht nonkel Hervé dat hij daarmee zijn vriendschap kon afkopen, zoals Dirk van op school, die aan Roel zijn beste knikkers gaf, zodat die hem niet afsloeg? Nonkel Hervé had trouwens nooit aan Tibooke gezegd dat hij zijn vader was, ook niet de laatste keer, toen Tibooke hem indringend had aangekeken. Papa was er tenminste altijd voor hem. Eigenlijk was dat een heilige, zo een vreemde zoon opvoeden.

Er verscheen een straal tussen de boomkruinen. De maan kwam van tussen de wolken. Vóór Tibooke verscheen de afgehakte boomstam van een grote den. De den vlakbij nonkel Hervé zijn huis, die ze vorig jaar samen met papa hadden omgehakt.

Het was ook de plek waar papa Tibooke afscheid had genomen van zijn konijn Victor. Tibooke kroop er altijd achteraan in de tuin toen het gras aan het eten was en besnuffelde zijn keutels, die lekker roken naar vers gras. Tibooke mocht Victor echter nooit meenemen naar zijn kamer, want mama wilde dat niet. Papa had Victor doodgeklopt met de ijzeren staaf die hij normaal in zijn autokrik stak.

“Dat beest heeft mixomatose, Thibault,” had zijn vader toen gezegd.

“Dat is een vuile ziekte. Trouwens, ge gaat vanavond zien hoe lekker ons mama konijn kan klaarmaken.”

Papa had toen lang met zichzelf moeten lachen.

Wanneer hij door de bomen pierde, zag hij licht branden in de ramen van nonkel Hervés huis. Tibooke liep verder door het bos en naderde de omheining van nonkel Hervé, die zo slecht onderhouden was dat je er overal tussen kon kruipen. Er was bij hen dan ook al drie keer ingebroken, zei papa telkens wanneer ze terugkwamen van een bezoek. Tibooke wurmde zich door de struiken van de buxushaag die rook naar kattenpis.

Hij liep over het natte gras naar de voordeur en belde aan. Even later ging de deur open. In het deurgat verscheen de grote figuur van nonkel Hervé, met zijn behaarde benen in pantoffels met een gouden wapenschild op geborduurd.

“Tibooke?”

Nonkel Hervé was bijna helemaal zwart in het tegenlicht. Tibooke concentreerde zijn blik op nonkel Hervés gezicht en ging op zoek naar de kuiltjes in zijn wangen. Ongeschoren stoppels, natte rode lippen, maar geen kuiltjes. Had hij het dan gedroomd?

“Wat komt gij hier doen? Het is bijna negen uur.”

De lippen bewogen. Wanneer nonkel Hervé sprak, zag je nauwelijks zijn tanden, enkel een zwart gat. Wanneer hij zijn lippen toekneep, verscheen er een kuiltje op zijn kin.

“Dat is helemaal mijn kuiltje niet,” riep Tibooke. “Ik heb kuiltjes in mijn wangen! Zie hier!” Tibooke wees met zijn wijsvingers naar zijn wangen en rolde met zijn ogen. “Jij bent mijn vader niet!”

Tibooke draaide zich om en rende de straat op. Langs het bos keerde hij niet meer terug. Roel zou hem geen blaasjes meer wijsmaken.


Klaus Gena heeft zijn veters leren knopen op zijn vijf jaar. Hij las Lucky Luke van rechts naar links.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s