het is gewoon verschrikkelijk

Regen op een zomeravond is verschrikkelijk. Er is een barbecue gepland. Er is vooral veel bier en iemand die voortdurend lege bierflesjes telt. Later worden het Instagramfoto’s. Wat ook verschrikkelijk is, is het verdomde einde van de films waaraan ik verslaafd ben. Het einde dat te vaak geen juist einde is. Iemand vroeg me: waarom huil je nou? Ik wees naar het scherm en antwoordde: er is net iemand gestorven. Zij bracht me tissues. En ik wist: zij is het.

Wat je niet aan mij kunt zien op een Instagramfoto of welke andere foto ook is dit: ik kan niets anders meer doen dan nadenken, hele godganse dagen en nachten lang. Dat gaat zo: een stoel in het midden van de kamer, kamerplanten op de vensterbank (met namen die zij uitgekozen heeft; van links naar rechts: Marilyn, Tracie, Dick, Mister P. en Zulma), een kop koude koffie, en nadenken. Er hoort geen geluid bij. Er hoort eigenlijk ook geen stilte bij.

Achteraf dronk ik koffie aan de koffieautomaat waar ook zij stond, terwijl ik eigenlijk nooit koffiedrink. Ik begon een gesprek over de kweekzalmen.

Het begin van mijn denken klinkt als een sprookje. Er was eens een artikel over kweekzalmen in Noorwegen dat ik toevallig las, terwijl ik eigenlijk op zoek was naar een tweedehandsauto. Er stond dat kweekzalmen het hele ecosysteem aantastten. In prachtige fjorden worden ze in cirkelvormige bassins gekweekt. Ze zijn volledig beroofd van hun vrijheid en krijgen de ene antibioticakuur na de andere. Alle echte zalmen die er zwemmen, gaan er kopje onder. De gevolgen zijn voelbaar in Noorwegen en verder, in de buurlanden, en nog verder, in de wereld. Ik besefte dat het altijd zo was, dat alles verband hield met elkaar. Het is gewoon verschrikkelijk.

Mijn denken ging zo ver dat ik op een dag een zalm werd. De enige echte overlevende zalm in een zee vol kweekzalmen. Ik zwom en zwom. Ze waren overal. Ik stierf. Niemand die wist dat de laatste echte zalm voorgoed de oceaan verlaten had. Mijn ziel ging naar de zalmenhemel. Toen werd ik wakker. Zij lag nog steeds naast me met halfopen mond te slapen. (Het is een spelletje om er Honey Loops in te steken zonder dat ze het merkt. Mijn huidige record staat op vijf.)

Haar ontmoette ik op een congres. Zij zat op de eerste rij. Het topje van haar balpen zat in haar mond en ze kauwde erop alsof het een dropje was. Vooraan stond een oude man (als hij een boom was dan telde hij zeker 100 jaarringen) te vertellen over het nut van self-sustainability als antwoord op klimaat – en dus de steeds voelbaardere weersverandering. Hoe het verwerpen van ons kapitalistisch systeem meer dan mogelijk was. Hij spreidde zijn armen, alsof hij een babyvogel was die voor het eerst zijn nest verliet.

Achteraf dronk ik koffie aan de koffieautomaat waar ook zij stond, terwijl ik eigenlijk nooit koffiedrink. Ik begon een gesprek over de kweekzalmen. Ze glimlachte, zoals gefotoshopte vrouwen dat doen, alleen deed zij het echt. ’s Avonds kookte ik Italiaanse pasta met currysaus en zei haar dat wereldvrede gewoon begint aan de keukentafel. Ze lachte. Ik lachte. En toen neukte ik haar op de sofa.

Het voordeel van al mijn gedachten is dat ze vanzelf gedachtegangen vormen. De afwezigheid van mijn gedachten is simpel: het is de gedachte dat ze afwezig zijn. Als die een kleur had, dan was die wit. Het soort wit dat ze niet verkopen in een verfwinkel. Daar gebruiken ze poëtische namen om witheid te omschrijven, zoals gebroken wit, eierschaalwit en engelwit.

Ik begon met meditatie. Wat men er niet over vertelt, en dus doe ik het nu wel, is dit: een hoofd kan luider en chaotischer zijn dan twee kleuterklassen op een bus op weg naar Plopsaland. Het schilderij dat het dichtst in de buurt komt hiervan: ‘De schreeuw’ van Edvard Munch.

Mijn gedachten over kweekzalmen zouden niet zomaar stoppen. Ik zou er iets voor moeten doen. Dan bedoel ik fysiek, mijn aan mannelijkheid gebrekkige lijf in de strijd gooien. Het zou op zich best iets heroïsch kunnen worden, als ik er niet had uitgezien zoals ik er echt uitzag: ongestreken Star Wars-T-shirt, een bril die ik al sinds mijn elfde had en een joggingsbroek. (Dan spreek ik nog niet eens over mijn schoenen, mijn rendiersokken, mijn haar of de manier waarop mijn oren staan.)

Het was zondag. Iemand zat op café bier van 1,7 euro te drinken, iemand bakte pannenkoeken, iemand liep in een Donald Duck-pyjama rond, iemand maakte een wandeling (al dan niet in Donald Duck-pyjama) in het park. In principe kon ik een hele dag voor de televisie blijven zitten met paprikachips en films kijken, maar mijn Redbull-geeft- je-vleugels-moment nam het van mij over. Het zou gebeuren.

Na 179 trappen was ik boven. Onder mijn arm zat een groot stuk opgerold papier. Ik maakte van mijn handen een denkbeeldige microfoon. “Rebellie,” riep ik. Mensen verzamelden zich.

Annie van het pannenkoekenhuisje, Jef van het café, Paul, Jan-Cornelis, Magda, een hond, een kat, de vogels. In minder dan vijf minuten had het dorp zich losgemaakt van hun zondagse doen om op het plein te staan.

Ik dacht terug aan mijn droom over de zalm en besefte dat de zee zoveel plekken tegelijkertijd kon zijn: een vakantieoord, een plek voor viseconomie, het onderwerp van schilderijen en poëzie, het einde van de wereld voor de ene, het begin voor een andere.

De rol papier liet ik naar beneden vallen. De mensen riepen iets. Ik keek naar wat ik in mijn handen hield, een stuk papier met daarop het verzet tegen kweekzalmen. “Godverdomme,” vloekte ik. Ik probeerde het papier om te draaien. Het scheurde in twee stukken, één ervan viel naar beneden. Ergens floot een vogel een liedje dat op het deuntje van ‘Pirates of the Caribbean’ leek, zij stond onderaan te glimlachen in de zon. (Het bleef de vraag of het de zon was die haar mooier maakte of omgekeerd, zij de zon?)

Zes minuten heb ik er gestaan met een stuk gescheurd papier in mijn handen. Ik had een sigaret kunnen opsteken, of een conversatie kunnen beginnen met de hemel en mijn grootmoeder als ik geloofde dat mensen daarheen gaan als ze sterven, maar dat deed ik niet. Ik stond een beetje te kijken naar mijn dorp en hoe ze naar mij keken. De ene verward, de andere gefrustreerd, sommigen alsof ze een bril moesten dragen.

Ik besefte dat ik er stond zonder iets te denken. Het niets had de vorm van een woestijnvlakte aangenomen. Ik stond te kijken, en zij stond te glimlachen, en ergens zwommen Noorse kweekzalmen, en ergens zwommen ook geen Noorse kweekzalmen. Het was een prachtige dag alleen maar omdat ik uitkeek op mensen, zoals dat ging in een scène van ‘The Lion King’: Simba die wordt voorgesteld aan het grote publiek. Verder hoefde er niets meer te gebeuren, vogels konden weer vogels zijn, mensen mensen, en wolken wolken. Ik liep de trap af. Morgen zou ik een nieuwe kamerplant kopen. Morgen zou zij hem Frankie noemen.


Lies Gallez houdt niet van massaconsumptie, tankstationkoffie en slagroom. Ze behaalde haar master Audiovisuele Kunsten Schrijven aan het RITCS. In 2014 won ze de publieksprijs van A.L. Snijdersprijs met haar zeer korte verhaal. Dit jaar won ze de Hendrik Prijs-prijs voor kortverhalen. Dagen vult ze het liefst met woorden bij elkaar sprokkelen op plekken waar bomen zijn. Haar verhalen publiceerde ze onder andere in Kluger Hans en Deus Ex Machina. Momenteel is ze aan de slag als schrijfdocent en OKAN-leerkracht. Ze werkt aan een roman en een bundeling van haar kortverhalen.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s