glas

Om half zeven stond het kind naast mijn bed. Hij was aangekleed, maar zo te zien nog niet erg wakker. Hij had blauwe laarsjes aan, een tuinbroek die wat knopen miste en over zijn schouder hing een plastic schep, ook blauw, toen hij struikelend de kamer binnenkwam.

“Goedemorgen kleine,” zei ik.

“Schorpioenen zijn niet gevaarlijk,” zei hij.

Wat ik me herinner is dat de buurman, de opa van het kind, langskwam om te kijken wat ik aan het doen was en waarom ik daar zo bij schreeuwde.

Hij zette de schep in een groef van het parket op zo’n manier dat hij erop kon leunen, waardoor onze ogen – mijn hoofd nog altijd plat op het kussen – op gelijke hoogte waren. Die houding heeft hij vermoedelijk van zijn opa afgekeken. Zijn vader zie ik nog niet met een schep in de weer en zeker niet op een parketvloer – daarvoor is hij veel te chique.

Het kind ging op vakantie – ik zou op het huis passen – en sinds een paar uur wist hij dit: dat schorpioenen niet gevaarlijk zijn. Hij had het gedroomd en voor vertrek wilde hij het mij gezegd hebben.

“Maar ze worden niet graag opgesloten. Als je dat doet, kunnen ze steken.”

Dat ik in dromen meer vertrouwen heb dan in het echte leven wist hij niet, of misschien juist wel en misschien kwam hij het me daarom vertellen.

“Ze zijn hier niet, hoor,” zei hij, “denk ik, maar als je er toch een ziet hoef je echt niet bang te zijn, Ronja.”

“Oké.”

“Je hoeft helemaal niet weg te rennen. Alleen als je hem oppakt omdat je hem in een pot wil stoppen, dan wordt hij boos. Wat heb jij gedroomd?”

“Niets,” zei ik. “Ik heb niets gedroomd, geloof ik.”

Dat was niet waar, maar mijn droom leek me te ingewikkeld voor een kind met een plastic schep.

“Oké. In elk geval weet je het nu. Van de schorpioenen,” zei hij. “Ik moet gaan. Tot over een paar dagen, Ronja!”

Hij leek mijn naam graag uit te spreken.

Prima, dacht ik. Schorpioenen zijn niet gevaarlijk.

Ik stond op, zwaaide het kind en zijn ouders uit en overwoog het om een kapotte weidepaal niet te vervangen. Niet omdat ik er geen zin in had, het leek me nogal een leuk klusje, maar omdat uitbrekende paarden zorgen voor leven in de brouwerij en vaak ook voor nieuwe vrienden, in elk geval genoeg voor twee of drie avonden bier drinken in het plaatselijk café. Dat was precies het formaat vriendschap waaraan ik behoefte had. Maar omdat de mensen de paarden aan mij hadden overgelaten juist omdat ze erop vertrouwden dat ik ze heel zou houden, besloot ik dat ik ervoor moest zorgen dat ze in het weiland zouden blijven. De beste vorm van zorg leek me als zij – de mensen – zich zo min mogelijk zorgen hoefden te maken en bij thuiskomst niet aan de slag zouden hoeven met gehavende ofwel verdwenen paarden. Ik ging op zoek naar een nieuwe paal en constateerde dat ik hier niet per se mijn behoefte aan het stillen was. Dat ik in het vervolg, te beginnen na deze paal, best wat meer aan mezelf zou kunnen denken.

Hoe het van daar tot hier is gekomen kan ik moeilijk uitleggen. Wat ik me herinner is dat de buurman, de opa van het kind, langskwam om te kijken wat ik aan het doen was en waarom ik daar zo bij schreeuwde. Ik had net de nieuwe paal in het gat gezet en stond er nu met een grote rubberen hamer op te meppen, wat me nogal veel voldoening gaf.

“Ik denk dat ik mijn agressie meer de ruimte moet geven,” heb ik waarschijnlijk tegen hem gezegd. “Dus ik oefen.”

Ik ben opmerkzaam en dat dat rammen op die paal zo opluchtte, leek me een teken dat er ergens in mijn lichaam een kleine opslag vol onredelijke kwaadheid was beginnen lekken.

Wat ik zeker weet is dat ik hem gevraagd heb bij de paarden te blijven en ervoor te zorgen dat ze niet over de slaphangende stroomdraden zouden stappen terwijl ik een extra paal ging halen. De hamer nam ik mee, de buurman zei daar niets over.

Het huis waar ik op paste was misschien het grootste waar ik ooit binnen was; in elk geval het grootste waarvoor ik me ooit verantwoordelijk heb gevoeld. Minstens twintig kamers met grote blikkerende ramen die uitkeken op een tuin waarin een kleine markt georganiseerd zou kunnen worden, maar waar nu enkel een achtergelaten auto stond. Waarschijnlijk een hobbyproject van iemand, niet iets waarmee je ooit nog de weg op zou kunnen.

Bij de auto ben ik begonnen.

Ik hoopte dat het genoeg zou zijn, maar het is met kernreactoren net als met dijken – zodra het water begint te stromen, masseert het het gat groter en groter. Als het eenmaal stroomt, is er geen houden meer aan.

Toen er aan de auto niets meer stuk kon, heb ik een steen opgeraapt en daarmee een raam ingeslagen. Een enorm groot raam – het glas donderde als een waterval naar beneden. Met een volgende steen gooide ik een volgend raam in en hoe meer glas er naar beneden stortte, hoe harder mijn hart klopte, hoe meer ik voelde dat ik bestond.

Dat ik zelf ongehavend bleef, leek me niet terecht – je kunt geen dingen aan stukken slaan en daarbij jezelf buiten schot houden, zeker niet als de dingen ook al niet van jou zijn. Ik trok een vrijgekomen lat uit het kozijn en met de glassplinters in mijn handen sloeg ik nog een raam kapot, en toen nog een. Door het gat van het achtste raam klom ik naar binnen om op de eerste verdieping naar de keuken te gaan. Daar heb ik alle glazen voorraadpotten tegen de muur gegooid, daarna de blender, de staafmixer, de keukenmachine, de waterkoker en alle flessen wijn die ik kon vinden. Toen heb ik in de woonkamer de schilderijen van de muur gehaald, naast het raam verzameld en een voor een naar beneden laten vallen. De ene na de andere lijst spleet in tweeën en het verbaasde me dat iets dat breekt op een marmeren stoep zo anders klinkt dan op een keukenvloer of op een deurmat of op de kinderkopjes op de rest van de binnenplaats. De mogelijkheden van geluid.

Toen ik terugkwam stond de buurman een van de paarden te aaien, zijn handen diep weggestopt in een dik pak haar. Het andere paard was over de stroomdraad gestapt en stond naast het schuurtje uit de sloot te drinken. Een paal om dit voortaan te voorkomen was er nog altijd niet.


Marron Das (1988) woont en werkt in Utrecht. Ze volgde daar ook de opleiding Writing for Performance. In 2017 studeerde ze af met een televisieserie over Art, die toen al niet meer leefde. Sindsdien schrijft ze theater, scenario en vooral korte verhalen. Ze schreef o.a. voor SLAA, Tilt, Fringe en De Toneelmakerij. Ook was en is haar werk te lezen op ‘Shortreads’ en ‘De Optimist’. Een boek heeft ze nog niet, maar met een beetje geluk komt dat er.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s